woensdag 8 juli 2015

& 18



VADERLOOS

De term ‘vaderloze maatschappij’ is ingeburgerd. Vaders verdwijnen doordat huwelijken uiteenvallen of omdat ze halve moeders moeten worden. Of domweg omdat ze geen tijd meer hebben voor hun kinderen. In breder perspectief duidt de term op het afbrokkelende gezag en ontzag in onze cultuur, op de erosie van traditionele waarden en van blind vertrouwen in de voorganger. Vanuit het dogma van de individuele vrijheid en de vooronderstelling dat iedereen sterk genoeg is om zich te beredderen, neemt elk mens er vrede mee rond te dobberen op de oceaan van mogelijkheden. Met het idee dat hij het lot in eigen handen houdt, en het volste vertrouwen dat de tocht ergens heen leidt.

Dilemma's blijven niettemin bestaan. Neem nu H.M. van den Brink, een Nederlands journalist, geboren in 1956. Ik las van hem een tekst, ‘Een paspoort dat niemand je af kan nemen’. Met dat paspoort bedoelt hij zijn vermogen om met de taal, na het vroege verdwijnen van zijn vader, een eigen identiteit te scheppen. Van den Brink formuleert het dilemma. Enerzijds juicht hij de verworvenheid toe dat de mens zijn waarde niet langer ontleent aan iets waaraan hij geen verdienste heeft: te zijn geboren in het gezin van een belangrijk man. Erfrecht is voorbijgestreefd, net zoals erfzonde. Maar anderzijds erkent Van den Brink dat in hem een verlangen bestaat naar het huis waar hij kan thuiskomen en waar prompt het vetste schaap wordt geslacht voor het feest dat diezelfde avond nog wordt aangericht. ‘Niet omdat ik het verdiend heb, maar omdat ik onmiskenbaar de zoon ben van mijn vader en daardoor uitverkoren.’ Van den Brink verlangt naar het ‘thuis’ waar een zingende man het kind, dat bang is ontwaakt, optilt, zodat het tot rust komt door het trillen van de laagste tonen in vaders borst.

Zou het kunnen dat de ‘vaderloze maatschappij’, meer dan door het effectieve ontbreken van de vader, wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van dit verscheurende dilemma?

Twintig jaar geleden verschenen in De Standaard van 10 juli 1995