donderdag 22 februari 2018

afscheid van mijn digitaal bestaan 69



24 juni 2005

ACCURAAT

Wat zou nu het verschil kunnen zijn tussen accuraat verwoorden wat accuraat is, en nauwkeurig of precies verwoorden wat accuraat is? Er moet wel een verschil bestaan tussen die woorden want waarom anders zouden ze bestaan? Ik geloof niet in synoniemen, elk woord betekent iets anders.
Accuraat en nauwkeurig en precies betekenen niet precies hetzelfde. Ik probeer heel nauwkeurig te verwoorden wat accuraat kan zijn en vertrek vanuit een vaag vermoeden dat het om een nuanceverschil gaat dat misschien tot niets méér dan een verschillende klankkleur te herleiden valt, dan tot een miniem, infiem, minuscuul vermogen van klinkers en klanken om totaal andere werelden op te roepen. Ik weet het niet, hoor, maar accuraat klinkt iets minder precies dan precies, terwijl precies daarom niet accurater klinkt dan accuraat. (Ik laat nauwkeurig nu maar vallen, het wordt anders te ingewikkeld.) Precies heeft met mikken te maken, accuraat vooral met snijden. Precies met samenleggen of puzzelen, accuraat met uit elkaar halen en ontrafelen. Precisie is meer iets voor de synthese, terwijl een analyse vooral accuraat moet gebeuren. Ik associeer accuraatheid met een chirurg, precisie veeleer met een bruggenbouwer. Of een horlogemaker. Accuraat is iets van woorden, precies heeft iets met cijfers. Een accuraat gespeelde vioolsolo lijkt me interessanter, mooier ook, dan een precieze. Het grote verschil is toch, denk ik, dat precisie te maken heeft met wat in principe volledig voltooibaar en perfect af te werken of te berekenen valt, terwijl accuraatheid veeleer van toepassing is op iets wat al op voorhand moet worden opgegeven: het zal nooit volmaakt zijn. Zoals bijvoorbeeld een beschrijving. Wat met accuratesse dient te gebeuren komt altijd neer op: de meubels redden, er het beste van maken. Precisie kan natuurlijk ook altijd mislukken, maar het accurate kan nóóit volledig lukken – dat is al een veel aanzienlijker verschil dan alleen maar die vage klankkleur van in het begin. Precies dat, die ingebakken eindigheid, maakt accuraat altijd delicaat – en misschien is het die klankverwantschap die al in mijn eerste vage vermoeden meespeelde.
Alle woorden, ook zogenaamde synoniemen, betekenen iets anders. Maar het is nog veel straffer: elk zelfde woord betekent voor iedereen iets anders. Zodat het aantal betekenissen het product is van het aantal woorden en het aantal mensen.

4978

Normandië (F) - 171104

woensdag 21 februari 2018

4977

Rouen (F), P. in de église Sainte-Jeanne d'Arc - 171103

afscheid van mijn digitaal bestaan 68


22 juni 2005

mijn woordenboek 91

ACCUMULATIE

Ik weet niet of ik het etymologisch of semantisch of semiologisch of hoe het ook mag heten bij het rechte eind heb, maar het komt mij voor dat accumulatie op de een of andere manier niet hetzelfde is als gewoon vermeerdering. Net zoals in het ene geval het geheel wel, en in een ander geval niet meer is dan de som van de delen, zo lijkt de som die wordt verkregen door accumulatie mij ruimer dan deze die wordt verkregen door vermeerdering. Een lege emmer waarin ettelijke druppels water worden geplengd loopt op een gegeven ogenblik over maar er is geen sprake van accumulatie – enkel van een finale druppel die in niets verschilt van de talloze druppels die aan hem voorafgingen. Zijn enige bijzonderheid is dat hij die emmer doet overlopen. Maar het verschil kan hoogstens van kwantitatieve, niet van kwalitatieve aard zijn. (Tenzij natuurlijk het beeld van de door toevoeging van die welbepaalde druppel overlopende emmer in figuurlijke zin wordt gebruikt, maar daar heb ik het hier niet over.) Om duidelijk te maken wat ik onder accumulatie versta, kan ik misschien best het voorbeeld gebruiken van de twee soorten kennis – een onderscheid dat handig is wanneer zwak gemotiveerde pubers in de examenperiode diets moet worden gemaakt aan welke vakken ze toch een klein beetje aandacht moeten besteden. Je hebt cumulatieve vakken en niet-cumulatieve vakken. Bij de eerste categorie – Frans, Latijn, wiskunde, fysica, scheikunde… – heb je de voorheen opgedane kennis nodig om er ook deze keer iets van te bakken. Je moet méér kennen dan de ‘leerstof’ van het afgelopen trimester waarover je zult worden ondervraagd. Bij de andere, niet-cumulatieve, vakken – biologie, godsdienst, aardrijkskunde – blok je gewoon de vijftien blaadjes van buiten die deze keer voor je neus liggen; begrip is daar nauwelijks nodig en je moet eigenlijk al een oen zijn als je er niet in slaagt een smak punten te sprokkelen. (Het onderscheid is overigens handig om de leraren in kwestie te beoordelen. Een leraar Nederlands – een cumulatief vak uiteraard, zoals alle talen – die de examenstof als niet-cumulatief voorstelt en zijn leerlingen ook op die manier beoordeelt is een slechte leraar Nederlands. Idem voor de leraar geschiedenis.) Accumulatie is er natuurlijk ook in de wereld van het geld: daar gaat het om het verschil tussen een spaarrekening en een spaarsok. Op je rekening accumuleer je je geld, in je sok steek je alleen maar telkens een munt of een biljet bij. Eigen aan accumulatie is dus dat er een kwalitatieve omslag plaatsvindt. Dat is niet altijd gunstig. Bijvoorbeeld in scheikundige of klimatologische processen. Op zeker ogenblik wordt een grens bereikt – en dat ogenblik krijgt in de snelheid waarmee het veranderingsproces zich dan opeens doorzet en in zijn onomkeerbaarheid iets dreigends: dan breekt, onherroepelijk, de ijsschots af; dan is de regen zuur; dan stijgt de zeespiegel; dan neemt het broeikaseffect toe; dan worden kritische grenzen bereikt en is er geen terugkeer meer mogelijk. Dat is het onheilspellende van accumulatie in deze gevallen: we worden te lang in de waan gelaten dat het alleen maar om een vermeerdering gaat. (Of we houden onszelf die waan voor.) Ach, nog één draaiende motor erbij, nog één kabeljauwtje minder; nog één eeuwenoude boom omgezaagd – het zal het verschil wel niet maken, zeker? Het maakt wel een verschil uit.

dinsdag 20 februari 2018

niet opgenomen 152

171203

sapiens 7



lees hier van bij het begin

Overbelast geheugen

De regels voor de sociale orde van de mens zitten niet in het menselijke genoom ingebakken (zoals de regels voor de sociale orde van de bij in het bijengenoom), ze zijn imaginair en moeten telkens worden aangeleerd en onthouden. Grote rijken vergen voor hun instandhouding de overdracht van een massa informatie. Die moet allemaal opgeslagen worden in de hersenen. Daaraan zijn drie nadelen verbonden.

1. De hersencapaciteit is beperkt.
2. Mensen sterven en de overdracht van het ene stel hersenen op een volgend vervormt de informatie.
3. De menselijke hersenen hadden zich evolutionair ontwikkeld voor het opslaan van informatie die voor jager-verzamelaars belangrijk was, niet voor de boekhoudkundige en juridische informatie die met grote politieke entiteiten gepaard gaat.

De Soemeriërs vonden er tussen 3500 en 3000 v.Chr. iets op: het schrift. Dat werd aanvankelijk uitsluitend voor de boekhouding gebruikt. In de precolumbiaanse Andes knoopten ze, met hetzelfde doel voor ogen, koordjes: quipu’s.

Het schrift van de Soemeriërs was een gedeeltelijk schrift. De Mesopotamiërs breidden het tussen 3000 en 2500 v.Chr. uit tot een volledig spijkerschrift waarmee niet alleen boekhoudkundige informatie kon worden overgeleverd maar ook wetten, orakeluitspraken, brieven en dergelijke. Ook de Egyptenaren ontwikkelden een volledig schrift (hiërogliefen), net als de Chinezen en de Midden-Amerikanen. Er moesten ook manieren worden gevonden om alle informatie te ordenen en te archiveren, zodat ze oproepbaar werd. Onze hersenen werken via associatie; een bureaucratie vergt een eigen logica. Een doorbraak op dat gebied was de uitvinding in de negende eeuw in Indië van de zogenaamde Arabische cijfers. Dit systeem werd recent nog meer geabstraheerd door de uitvinding van het binaire computerschrift. Dit cijferschrift is zo efficiënt dat het tegenwoordig bepaalt hoe mensen denken in plaats van omgekeerd. Straks neemt artificiële intelligentie het roer helemaal over.

(wordt vervolgd)

4976

Rouen (F), S. en de kathedraal - 171103

wolken 2658-2662


wolkenfragmenten uit Marc Reugebrink, Het Belgisch huwelijk

2658
En, met het accent van de streek van zijn voorvaderen, met haar accent: ‘Sei come una nube intravista fra i rami. Ti ride negli occhi la stranezza di un cielo che non è il tuo.’ (Je bent als een wolk / tussen de takken door gezien. In je ogen lacht / de vreemdheid van een hemel die niet de jouwe is.) // Het zijn regels uit het gedicht ‘Notturno’ (‘Nachtelijk’) van Cesare Pavese zoals opgenomen in De dood zal komen en jouw ogen hebben, De Bezige Bij, Amsterdam 2001, p. 56-57. De vertaling is van Willem van Toorn en Pietha de Voogd. (22 en 223)

2659
Ze hadden iets van een ongerept sneeuwveld. Of van een wolkeloze, een strakblauwe hemel bij strenge vorst. (74-75)

2660
De zon was net weer even tussen de regenwolken tevoorschijn gekomen en de daken glinsterden in het licht. (204)

2661
Lage wolken hingen boven het land, op de aardappelvelden stonden plassen, aan de kust klaagden de middenstanders steen en been en vroegen de Vlaamse regering om maatregelen te nemen ter ondersteuning van hun zo zwaar getroffen sector. (211)

2662
(…) net voor het ogenblik waarop hij en Isabelle, Isabelle en hij eindelijk die tuin mogen binnengaan, de tuin die misschien dan niet helemaal gelijk de tuin is met de zorgeloos spelende kinderen, met dat onwaarschijnlijk groene gras onder een haast ingekleurde, wolkeloze, strakblauwe hemel aan het einde van de film, als de violen nog één keer aanzwellen en de hond achter zijn bal aanrent (…) (222)

maandag 19 februari 2018

afscheid van mijn digitaal bestaan 67


17 juni 2005

ACCROCHAGE

Het meest verwonderlijke aan het ophangen van lijsten met foto’s of schilderijen of kruissteekwerkjes aan een muur, is de meticuleuze precisie waarmee dat altijd gebeurt. Aan de hand van het formaat van de lijst en de inplanting van het haakje op de achterkant wordt afgepast waar precies het gat in de muur moet komen voor de nagel of de haak (te kiezen in functie van het gewicht). De bovenkanten van naast elkaar hangende lijsten moeten bijvoorbeeld – dat is slechts een van de vele mogelijkheden maar ik neem dit als voorbeeld omdat dat het meest voor de hand liggende is en ook voor de lezer van deze nodeloze uitweiding het gemakkelijkst voor te stellen – de bovenkanten dus van de naast elkaar hangende lijsten moeten precies op dezelfde denkbeeldige lijn komen te liggen. Dat is op de een of andere manier van uitzinnig groot belang. Bij meer dan twee lijsten naast elkaar – drie of elk willekeurig natuurlijk getal hoger dan drie; vier of vijf of zes of ga zo maar door, in functie van het aantal voorradige illustraties (die bovendien iets met elkaar te maken moeten hebben zodat ze een reeks vormen, dat spreekt vanzelf, wat hun ophanging in een dergelijke reeks moet rechtvaardigen) maar ook in functie van de hoeveelheid beschikbare (en uiteraard volkomen identieke) lijsten én van de lengte van de kamer en, daarin, van de vrije ruimte op de muur – bij meer dan twee lijsten naast elkaar dus is ook, behalve die denkbeeldige horizontale lijn ook de tussenruimte tussen twee lijsten van cruciaal belang. Die moet tussen lijst 1 en lijst 2 natuurlijk precies even breed zijn als tussen lijst 2 en lijst 3, enzovoort. En zo gaat het nog een tijdje door met allerlei denkbeeldige en niet denkbeeldige ruimtelijke relaties tussen de lijsten onderling en daarenboven ook tussen het lijstenconglomeraat en de contouren van de beschikbare muuroppervlakte – een samenspel van ruimtelijke relaties dat, als alles uiteindelijk aan de muur hangt, een accrochage vormt. Let er maar eens op als je zo’n kamer betreedt: er straalt een bijwijlen ontroerende nauwgezetheid van uit. Je leert de bewoners van het huis kennen aan hun accrochages. (En dan heb ik het niet over de aard van de voorstellingen!) Ontroerend is natuurlijk nog veel meer de sleet die op zo’n accrochage nederdaalt. Het stof op de bovenranden van de lijsten. Het stof op de uit-stekende onderranden. Het stof op de zijranden en op het glas vooraan. Kijk, hier hangt er al eentje scheef. Dat was, gezien de duidelijk beoogde regelmaat, duidelijk niet de bedoeling. Maar scheef hangt dat eentje al. Onmiskenbaar. Daardoor is een nieuwe afstand ontstaan met zijn buur. Niet de oorspronkelijk bedoelde afstand, maar toch ook een afstand, die – binnen een weliswaar andere logica – ook tot op de nanometer nauwkeurig te bepalen valt. En hier, in de hoek van deze lijst, steekt een foto. Hij is door ouderdom aangetast, opgekruld, verbleekt. Hij is vergeten. Deze lijst dan weer is door het gewicht van het glas aan het doorzakken. De onderste rand komt in beide hoeken al los van de opstaande randen. Het is nog maar een kwestie van jaren of het kader valt uit elkaar. Een héél ontroerend experiment, dat aan het licht brengt wat die meticuleuze precisie die bij het accrocheren aan de dag wordt gelegd voorstelt, is het moedwillig verstoren van de strakke ordening in zo’n lijstencompositie. Breng, bijvoorbeeld bij uw schoonmoeder, eens ongemerkt wat scheefte aan. Verwissel twee schilderijtjes van plaats. Of hang er eens eentje omgekeerd aan zijn haak. Zie wat er gebeurt, hoelang het duurt vooraleer er iets gebeurt. En verwonder u over de geringe aandacht die aan deze kamergarnituur wordt geschonken. Ja, over hoe blijkbaar de totale hoeveelheid aandacht ervoor in grote mate geconcentreerd is in die ene handeling van het accrocheren. Alsof het aankleden van de kamer belangrijker is dan waarmee dat gebeurt en wat er dan mee gebeurt.